De overstroming

Er was eens een jongen genaamd Sam. Hij woonde samen met zijn vader, moeder en zusje Miranda in ’t zielhoes.
Op 2 augustus 1901 gingen moeder, Sam en Miranda wandelen op de dijk. Toen ze op de dijk waren zij moeder: Zoeken jullie alvast maar een plekje om zitten, ik ga nog even wat limonade halen. Oké moeder, en ze liepen weg met het kleed.
Opeens hoorde ze een schreeuw. Moeder schreeuwde dat ze snel naar huis moesten gaan. Er kwam een grootte vloedgolf aan. Snel rende ze de dijk af naar huis. Dar stond vader al met de fietsen. Iedereen pakte zijn fiets. Opeens schreeuwde Miranda: “ik heb een lekke band.” Kom maar bij mij achterop lieverd. En snel fietste ze weg.
Net toen ze Usquert in fietste kwamen ze een agent tegen. De agent zij: “Komen jullie maar even hier dames.” Waar is jouw fiets? Er komt een vloedgolf aan, we hebben hem achter gelaten. Er zijn hier twee dingen niet oké, ten eerste mag je niet achterop voor zijn grootte afstand. Ten tweede lieten jullie afval achter in de polder. Is het goed als we dat betelen als we weer wat geld hebben, want we hebben alles achter gelaten. Is goed mevrouw.
Uiteindelijk hebben ze het nog maar net gehaald. Ze waren net op tijd in de kerk. En gelukkig kwamen ze de agent niet meer tegen.

Gemaakt door: Femke, Wessel, Lysanne en Thomas.

Het project Atlas Hunsingo wordt mede mogelijk gemaakt door: